Biodiversiteit is hernieuwbaar kapitaal

Met het aanspringen van de tl-verlichting lijken de opgezette kikkers even op hun plaats te verspringen. In een andere ruimte staan vogels oog in oog met hun natuurlijke vijanden. Terwijl hij de smalle gang van de Nationale Zoölogische Collectie van Suriname binnenstapt, verontschuldigt directeur Paul Ouboter zich: “Je zult het zien, de collectie is niet in orde”.

Achter de deur prijkt een enorme schedel van een dwergvinvis. “We hebben het eens acht maanden zonder airco moeten doen”, vertelt de professor Biodiversiteit, en trekt een wit uitgeslagen houten lade open. De vleermuizen die verschijnen, houden hun verstijfde pootjes omhoog. Wijzend op een dun wit laagje op de borst van een van de beestjes, zucht hij: “Dat ziet er niet goed uit”.

De airco werkt al lang weer en de meeste houten kasten zijn vervangen door metalen rekken, maar de sporen van de schimmels zijn nog steeds onmiskenbaar. Het herstel gaat langzaam en het is moeilijk geld vrij te krijgen voor iets dat geen direct aantoonbare winst oplevert. De collectie is daarom in meerdere opzichten een weerspiegeling van de biodiversiteit in Suriname.

“Je zou denken dat er na de biodiversiteitsconventie van Rio meer geld zou zijn voor natuurhistorische collecties. Maar dat is wereldwijd niet het geval.” Ouboter verwijst naar het bindende verdrag dat in 1992 in de Braziliaanse metropool werd getekend, waarmee 186 landen, waaronder Suriname, zich onder andere verplichtten tot het inventariseren en beschermen van hun biodiversiteit. Een goed onderhouden verzameling is daarvoor van groot belang: “De collectie is je referentie om diersoorten te identificeren en onderzoeken te verrichten. Er zijn heel wat boeken voortgekomen uit deze verzameling.”

Kapitaal

Biodiversiteit is een waardevol goed. Ieder mens heeft immers baat bij een gezonde leefomgeving, en ieder dier, klein of groot, heeft daarin een unieke taak. “Alle soorten zijn gelinkt. Termieten hebben bijvoorbeeld de belangrijke positie dat ze dood hout afbreken en terug in de kringloop brengen. Als een dier uitsterft, is dat nooit iemand ten gunste. Dat is moeilijk in geld uit te drukken.”

Toch wordt dat laatste steeds vaker geprobeerd. In augustus wordt in Suriname het derde biodiversiteitscongres van het Guyanaschild gehouden. Daarbij zal onder andere een training worden gegeven over hoe er een prijskaartje gehangen kan worden aan de variatie in flora en fauna.

Over inhoud van die training kan Ouboter nog niet veel zeggen, maar “we moeten niet alleen denken aan ‘directe dollars’. Het milieu levert ook ecosysteemdiensten. Zoals het produceren van zuurstof, het vasthouden van grond, het afbreken van organisch materiaal, het zuiveren van water, het bestuiven van landbouwgewassen. Die diensten zijn niet zozeer te verkopen, maar mangrove beschermt bijvoorbeeld de kust. De planten houden grondafzettingen vast waardoor de kustlijn vanzelf wordt opgehoogd. Als de mangroven worden gekapt, moet er een dijk komen. Dat kost geld, mangrove doet het gratis. Zo kan je de vervangingskosten berekenen.” Je zou de natuur dus kunnen zien als een vorm van kapitaal. “Jazeker, bovendien is het hernieuwbaar. Goud plant zich niet voort”, lacht Ouboter, “op een gegeven moment zijn delfstoffen op.

‘Goud plant zich niet voort’

Redd+ (Reducing Emissions from Deforestation and forest Degradation), het plan waarbij rijke landen andere overheden betalen voor het behoud van bos dat ze in eigen land hebben opgeofferd aan ontwikkeling, is een voorbeeld van hoe er op een onschadelijke manier geld aan de natuur verdiend kan worden. Ook ecotoerisme wordt vaak genoemd als grote inkomstenbron. Met 95 procent bebossing zou je dus kunnen denken dat Suriname heel wat kapitaal in huis heeft.

Bovendien verscheen in 2010 een peer-reviewed rapport in het wetenschappelijke online magazine Plos One, waarin Suriname werd ingedeeld bij de top tien van landen met de minste relatieve ecologische schade in de wereld. Maar daarover is Ouboter sceptisch. “Het hangt af van de factoren die je laat meewegen. Er is bij dat onderzoek bijvoorbeeld gekeken naar de bosbedekking en de kleine populatie, ik heb daar steeds meer moeite mee. De druk op het bos is hier dan wel geringer dan in omringende landen, maar de kwaliteit van veel bos is slecht. Grote gedeelten zijn leeg of verarmd.”

Bedreigingen

De grootste bedreiging voor dit groene vermogen, is op dit moment de kleinschalige goudwinning. “Dat is de grootste milieuramp die Suriname nu kent.” Om het edelmetaal uit de grond te krijgen wordt bos gekapt, grond omgewoeld en om de zoekers te voeden wordt gejaagd op alles wat beweegt. Met name de aquatische systemen hebben eronder te lijden. Enerzijds vertroebelt het water, waardoor vissen die op zicht jagen het moeilijker krijgen. Zoals anyumara’s, een welkom gerecht in de Surinaamse keuken. Anderzijds is het kwik dat wordt gebruikt giftig voor mens en dier. “Het hoopt op in de voedselketen. Hoe hoger in de keten, hoe meer kwik een dier binnenkrijgt. En de mens zit hoog in de keten!” De effecten van goudwinning zijn tot in de verre omtrek te merken. Door de universiteit werden de afgelopen jaren metingen gedaan waaruit blijkt dat er in het Coppenamegebied nog veel meer kwik in de vissen terechtkomt, dan in de goudgebieden zelf. “Het gaat te ver om in technische details te treden, maar waarschijnlijk komt dat door de Noordoostenwind.”

Professor Paul Ouboter

Professor Ouboter is conservator van de Nationale Zoologische Collectie van Suriname

De genoemde gevolgen zijn niet voorbehouden aan de kleinschalige goudwinning. Bij iedere vorm van mijnen wordt het water vertroebeld. En ook bij het zuiveren van het edelmetaal door de goudopkopers in Paramaribo komt er heel wat kwik in de atmosfeer. Suralco stoot eveneens kwik uit bij de winning van aluminium uit bauxiet, “maar dat is in de laatste jaren waarschijnlijk verminderd”.

Een andere vijand voor het bos is de houtkap. Vroeger werden alleen concessies uitgegeven in het savannebos, maar de uitgiften verplaatsen zich steeds verder naar het zuiden. Officieel zou er alleen aan duurzame houtwinning worden gedaan, maar veel vertrouwen in het veelgeroemde Celos Management Systeem heeft Ouboter niet. “Er wordt gif gebruikt om overbodige bomen te vellen. Het houtafval blijft daar jaren liggen en zorgt voor CO2-uitstoot. Vooralsnog lijkt reduced impact logging een beter effect te hebben.”

Niet alleen het bos wordt bedreigd, ook de savannes staan onder druk. “Savanne moet om de paar jaar afbranden. Hoe vaak precies, dat is in Suriname nooit onderzocht. Brandt het te vaak – meestal door menselijk toedoen, om schildpadden of vogels te vangen – dan raak je soorten kwijt. Brandt het te weinig, dan zijn die enkele branden zo intensief dat je meer verbrandt dan je zou willen. Brandt het nooit, dan verandert heel het gebied in savannebos. Je zou cijfers uit Zuid-Afrika of misschien Brazilië kunnen gebruiken om te bepalen wat gezond is, maar Suriname heeft eigen gegevens nodig.”

Groen paradijs

Tot slot is ook Paramaribo geen groen paradijs. “De laatste jaren staan er steeds meer bedrijven in woonwijken. Ik snap niet dat dat mag. Autowerkplaatsen zorgen voor veel zware metalen in het milieu. De lozingen van de levensmiddelenindustrie zorgen bijvoorbeeld voor eutrofiëring: door te veel voedingsstoffen in het water krijgen bepaalde soorten de overhand. Meestal zijn dat algen, soms zelfs giftige. In het ergste geval zorgt dat voor zwart en stinkend water. Hetzelfde wordt veroorzaakt doordat er te veel septic tanks op een te klein afvoersysteem zijn aangesloten. Ik huiver als ik mensen zie vissen in de Boomskreek. Daar was ook nog ooit een vuilnisbelt. Gelukkig wordt er daar vooral op tilapia gevist, dat is geen roofvis, dus die hoopt geen zware metalen op.”

Prioriteiten

Mijnbouw is nodig, erkent Ouboter, “maar dan op een nette manier, in gebieden die geen hoge natuurwaarde hebben. Er moet gezoneerd worden. Men heeft nu de neiging om te zeggen dat overal gemijnd mag worden.” De overheid moet de afweging maken welk gebied waarvoor gebruikt kan worden. “Maar daar hebben sommige politici geen voordeel bij, omdat ze zelf in de delfstofwinning zitten. Iedere regering roept dat er werk zal worden gemaakt van de raam- milieuwet, maar dat gebeurt niet want dan zouden hooggeplaatste personen in het land ook beperkingen opgelegd krijgen.”

Die milieuwet is juist ook van belang omdat daarin moet komen te staan, dat voor ieder project dat effect kan hebben op de natuurlijke omgeving een studie gedaan moet worden naar de impact op het milieu.“Door sommige grote bedrijven wordt dat nu wel gedaan, maar ze zijn niet verplicht om aanbevelingen na te leven.”

Ouboter pleit ook voor meer toezicht op de dierenhandel. De conventie over de internationale handel in wilde dieren en planten (CITES), ook een verdrag dat door Suriname is ondertekend, schrijft voor dat ieder land controle moet uitoefenen op de dierenhandel, “maar er is weinig geld en aandacht voor. En het ministerie van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer investeert te weinig in controle op het naleven van de jachtwet en de natuurbeschermingswet. Er is recent weer een groep jachtopzieners getraind, maar in de praktijk hebben ze bijvoorbeeld te weinig brandstof om controleactiviteiten te kunnen uitvoeren. Er moet meer worden geïnvesteerd in controle. Je kunt natuurlijk niet alles beschermen, maar sommige natuurgebieden zijn goed te bereiken, zoals Brownsberg en de Coppenamerivier.”

Gedeelde verantwoordelijkheid

De verantwoordelijkheid voor een goed milieu ligt niet alleen bij de overheid.“Niemand is erbij gebaat als het milieu slechter wordt. Surinamers hebben vaak het idee dat ze weinig impact op de natuur hebben. Maar die invloed groeit door de economische ontwikkeling.” Ook kleinere bedrijven en consumenten kunnen helpen om de natuur te beschermen. “Tegenwoordig kunnen petflessen al effectief ingezameld worden. Maar plastic zakken zijn eigenlijk nog veel schadelijker. Het duurt erg lang voordat die afbreken. En ze kunnen het spijsverteringsstelsel van dieren verstoppen. Een aitkanti ziet bijvoorbeeld plastic zakken aan voor kwallen, die hij eet. Een supermarkt kan daarom beter stoffen tassen bij de kassa verstrekken of voor een gering bedrag verkopen.”

Ieder bedrijf heeft een andere impact op het milieu, maar elke ondernemer kan zelf nagaan welke vervuilingsstroom zijn bedrijf tot gevolg heeft en hoe die aangepakt kan worden. Grotere bedrijven kunnen daarnaast denken aan compensatiefondsen, waarmee zij hun ecologische voetafdruk vereffenen. Waarom bedrijven dat zouden doen? “Waarschijnlijk is goede public relations de enige reden dat ze het nu doen”, zegt Ouboter, “maar een groen label kan er ook toe leiden dat een product duurder verkocht kan worden. Het kan je exportpositie verbeteren, zodat de investering kan worden terugverdiend. Als overheid kan je het ook afdwingen. In sommige landen is een grens gesteld aan de CO2-uitstoot (De veel in de natuur voorkomende stof koolstofdioxide, CO2, komt onder andere vrij bij uitademen, verbranding en houtkap en wordt verantwoordelijk gehouden voor het broeikaseffect) van bedrijven. Gaan ze daaroverheen, dan kunnen ze dat afkopen door projecten te financieren.”

Aangepaste wetgeving, investeren in handhaving, het efficiënt plannen van landgebruik en bedrijven die hun maatschappelijke verantwoordelijkheid nemen; er lijkt nog een lange weg te gaan voor er een hoog rendement behaald kan worden uit ons natuurlijk kapitaal. Gelukkig groeit de aandacht voor het milieu. Dat geldt overigens ook voor de Nationale Zoölogische Collectie. Zoölogie: dierkunde wekt steeds meer de interesse van studenten, zelfs insecten mogen op een verhoogde belangstelling rekenen. Ouboter hoopt dan ook dat hij binnenkort weer een collega-curator krijgt voor de deelcollectie ongewervelde dieren. “Toen ik tien jaar geleden een advertentie plaatste reageerde er niemand. Nu krijg ik heel veel reacties.”

EFM Magazine augustus 2013



Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.